Bericht 001
Mededeling van de Commissie - TRIS/(2024) 2496
Richtlijn (EU) 2015/1535
Kennisgeving: 2024/0519/DE
Kennisgeving van een ontwerptekst van een lidstaat
Notification – Notification – Notifzierung – Нотификация – Oznámení – Notifikation – Γνωστοποίηση – Notificación – Teavitamine – Ilmoitus – Obavijest – Bejelentés – Notifica – Pranešimas – Paziņojums – Notifika – Kennisgeving – Zawiadomienie – Notificação – Notificare – Oznámenie – Obvestilo – Anmälan – Fógra a thabhairt
Does not open the delays - N'ouvre pas de délai - Kein Fristbeginn - Не се предвижда период на прекъсване - Nezahajuje prodlení - Fristerne indledes ikke - Καμμία έναρξη προθεσμίας - No abre el plazo - Viivituste perioodi ei avata - Määräaika ei ala tästä - Ne otvara razdoblje kašnjenja - Nem nyitja meg a késéseket - Non fa decorrere la mora - Atidėjimai nepradedami - Atlikšanas laikposms nesākas - Ma jiftaħx il-perijodi ta’ dewmien - Geen termijnbegin - Nie otwiera opóźnień - Não inicia o prazo - Nu deschide perioadele de stagnare - Nezačína oneskorenia - Ne uvaja zamud - Inleder ingen frist - Ní osclaíonn sé na moilleanna
MSG: 20242496.NL
1. MSG 001 IND 2024 0519 DE NL 18-09-2024 DE NOTIF
2. Germany
3A. Bundesministerium für Wirtschaft und Klimaschutz, Nationale Kontaktstelle im Referat EB3
3B. Bundesministerium des Innern und für Heimat, Referat KM 5
4. 2024/0519/DE - C00C - Chemische producten
5. Ontwerpwet tot wijziging van de springstoffenwet en andere wetten
6. Springstoffen (explosieven, pyrotechnische samenstellingen, pyrotechnische artikelen, andere explosieve stoffen en toebehoren voor explosieven), precursoren voor explosieven
7.
8. Om strafbare feiten in verband met springstoffen doeltreffend te bestraffen en te voorkomen, worden de springstoffenwet, de precursoren ervan en andere (niet-meedeelbare) voorschriften gewijzigd.
1. Wijziging van de springstoffenwet (SprengG)
In de toekomst zal de poging tot ongeoorloofde hantering van en de poging tot ongeoorloofde handel in springsstoffen, alsmede de poging tot verwerving (artikel 40, lid 1, alinea’s 1 tot en met 3 SprengG) en de poging tot ongeoorloofde invoer, doorvoer of verplaatsing (artikel 40, lid 2, alinea 1) van springstoffen strafbaar worden gesteld (artikel 40, lid 3b (nieuw) SprengG).
Artikel 40, lid 3a (nieuw) SprengG introduceert een nieuw verzwarend element, waardoor er een hogere straf wordt opgelegd voor strafbare feiten die worden gepleegd op grond van artikel 40, lid 1 of lid 2, SprengG, namelijk het beroepsmatig of in bende plegen ervan.
De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ongeoorloofde exploitatie van een magazijn voor springstoffen, die tot op heden alleen in de commerciële sfeer uitdrukkelijk is vastgesteld, wordt uitgebreid naar de niet-commerciële sfeer, aangezien het geen verschil maakt voor de gevaarlijke aard van de ongeoorloofde opslag van deze stoffen, ongeacht of deze plaatsvindt voor commerciële of niet-commerciële doeleinden (artikel 40, lid 2, alinea 2, SprengG). Om dezelfde reden wordt de wettelijke overtreding van de ongeoorloofde vestiging van een magazijn op grond van artikel 41, lid 1, alinea 7, ook uitgebreid naar de niet-commerciële sfeer.
In de toekomst wordt de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor invoer, doorvoer en verplaatsing op grond van artikel 40, lid 2, alinea 1, SprengG, gekoppeld aan het ontbreken van een vergunning voor het hanteren of verwerven van springstoffen en niet meer aan de niet-nakoming van de verplichting om een dergelijke vergunning aan te tonen. De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ongeoorloofde invoer, doorvoer en verplaatsing van springstoffen wordt uitgebreid naar de niet-commerciële sfeer (artikel 40, lid 2, alinea 1, letter b) (nieuw) SprengG). Om tegenstrijdigheden met gevallen van ongeoorloofde, niet-commerciële hantering en verwerving (artikel 40, lid 1, alinea 3, SprengG) te voorkomen, is dit echter alleen van toepassing op explosieven, vuurwerk van categorie F4 en pyrotechnische artikelen die niet aan een conformiteitsbeoordeling worden onderworpen of anderszins zijn goedgekeurd. De ongeoorloofde, niet-commerciële verplaatsing van conformiteitsbeoordeelde pyrotechnische artikelen (met uitzondering van categorie F4) wordt in de toekomst bestraft als een administratief delict in combinatie met ongeoorloofde, niet-commerciële behandeling of verwerving (artikel 41, lid 1a, SprengG, in samenhang met artikel 40, lid 5, SprengG). Inbreuken op de verplichting om vóór de verplaatsing aan de bevoegde instantie een vergunning voor de verplaatsing van explosieve stoffen aan te tonen, worden in de toekomst als administratief delict bestraft (artikel 41, lid 1, alinea 4a, SprengG).
De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de ongeoorloofde verstrekking van springstoffen aan onbevoegden wordt ook uitgebreid naar de niet-commerciële sfeer (artikel 40, lid 2, alinea 3, punten a), c) en d), SprengG).
In artikel 5, lid 1, wordt verduidelijkt dat alleen personen die gemachtigd zijn om springstoffen te hanteren of te verwerven, springstoffen mogen invoeren, doorvoeren of verplaatsen of de invoer, doorvoer of verplaatsing ervan door iemand anders mogen regelen (eerste helft van de zin) en dat dergelijke personen deze vergunning dienen aan te tonen op verzoek van de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit (tweede helft van de zin).
In artikel 17 wordt verduidelijkt dat de vergunningsplicht betrekking heeft op de oprichting en exploitatie van magazijnen waar springstoffen worden opgeslagen voor commerciële doeleinden of als onderdeel van een economische onderneming, een land- of bosbouwactiviteit of in de tewerkstelling van arbeiders. De formulering komt nu overeen met artikel 7, lid 1, van de wet (waarbij deze bepaling betrekking heeft op de toestemming om springstoffen te hanteren en te verhandelen).
Door de toevoeging van artikel 15, lid 4, SprengG, aan de eerste zin van artikel 28 wordt een tot op heden bestaande dubbelzinnigheid in de wet weggenomen: in de huidige stand van de wet verwijst de verwijzingsbepaling in artikel 28, eerste volzin, SprengG, waarin wordt bepaald dat bepaalde bepalingen van het artikel over de commerciële hantering van en handel in springstoffen ook van toepassing zijn op de niet-commerciële sfeer, naar artikel 15, leden 1 en 3, SprengG. Dit betekent dat de bewijs- en kennisgevingsverplichtingen en de bevoegdheid van de in artikel 15, lid 5, aangewezen autoriteiten ook van toepassing zijn op de niet-commerciële sfeer. In de huidige wetgeving wordt echter niet verwezen naar de overeenkomstige controlebevoegdheden van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van artikel 15, lid 4, SprengG, om na te gaan of de bepalingen die van toepassing zijn op de niet-commerciële invoer, doorvoer en verplaatsing (met inbegrip van de verordening inzake gevaarlijke goederen) zijn nageleefd. Door artikel 15, lid 4, toe te voegen aan artikel 28, worden de bevoegdheden van de krachtens lid 5 aangewezen autoriteiten nu verduidelijkt.
2. Wijziging van de precursoren (AusgStG)
In de toekomst stelt het AusgStG niet alleen de poging tot het plegen van strafbare feiten op grond van artikel 13, lid 1, strafbaar, maar ook de poging tot het verzwarende element, namelijk de poging tot het beroepsmatig of in bende plegen van dergelijke strafbare feiten. Voorts wordt er een bepaling over de confiscatie van explosief precursormateriaal toegevoegd (artikel 15 (nieuw) AusgStG).
9. In de afgelopen tien jaar zijn de gevallen van oneigenlijk gebruik van springstoffen die een explosie veroorzaken (artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht – StGB) meer dan verdubbeld, van 871 gevallen in 2012 tot 1 934 gevallen in 2023 (door de politie geregistreerde misdaadstatistieken 2023, T01 Basistabel – Gevallen uit 1987 (V1.0), beschikbaar op https://www.bka.de/DE/AktuelleInformationen/StatistikenLagebilder/PolizeilicheKriminalstatistik/PKS2023/PKSTabellen/Zeitreihen/zeitreihen_node.html).
Er is met name sprake van een aanzienlijke toename in het opblazen van geldautomaten. In het hele land stegen dergelijke gevallen alleen al tussen 2021 en 2022 met 26,5 %. Dit vertegenwoordigt een nieuw hoogtepunt sinds het begin van de registratie van deze cijfers in 2005. Ondanks de met de Duitse banksector overeengekomen veiligheidsmaatregelen, die hebben geleid tot een lichte daling in het aantal gevallen in 2023, blijven ze op een hoog niveau. In de afgelopen jaren ging het bij opgeblazen geldautomaten grotendeels om vaste explosieven (bv. pyrotechnische samenstellingen en zelfgemaakte explosieven). Het toegenomen gebruik van vaste explosieven vormt een verhoogd risico voor voorbijgangers in de onmiddellijke nabijheid van geldautomaten, aangezien daders ze vaak niet volledig kunnen beheersen. Bovendien lopen hulpdiensten een aanzienlijk risico in het geval van poging tot explosies, aangezien het potentiële risico op explosies niet ophoudt. De handelingen worden ook vaak gekenmerkt door roekeloos gedrag tijdens ontsnapping met behulp van krachtige voertuigen. Ook dit vormt een aanzienlijk risico voor derden (Bondsbureau voor de gerechtelijke politie, Aanvallen op ATM’s, Bundeslagebild-rapport 2022, blz. 5). Tegelijkertijd veroorzaken dergelijke explosies aanzienlijke verliezen voor de financiële en verzekeringssector. In 2022 bedroegen de totale verliezen in Duitsland ruim negen cijfers (https://www.gdv.de/gdv/medien/medieninformationen/ueber-100-millionen-euro-schaeden-durch-gesprengte-geldautomaten--157758). In het licht hiervan weerspiegelt de huidige strafbepaling in artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende de mate van wangedrag die specifiek betrokken is bij het opblazen van geldautomaten om diefstal te plegen door een explosie te veroorzaken.
Ook de (overige) delicten op grond van de springstoffenwet (artikelen 40 en 42, SprengG) zijn onlangs weer aanzienlijk toegenomen (van 4 012 gevallen in 2022 naar 4 431 gevallen in 2023). Tegelijkertijd hebben de bijkomende strafrechtelijke bepalingen van de springstoffenwet onvoldoende betrekking op bepaalde gevallen van gedrag dat strafwaardig is en straf verdient in het kader van de ongeoorloofde hantering en verwerving van explosieven. Dit geldt enerzijds voor pogingen tot ongeoorloofde verwerving, pogingen tot ongeoorloofde invoer, doorvoer of verplaatsing van en pogingen tot ongeoorloofde hantering van springstoffen, met inbegrip van pogingen tot productie van explosieven. Dergelijke gedragingen waren tot op heden niet strafbaar op grond van het SprengG, aangezien er geen strafrechtelijke aansprakelijkheid voor poging werd gespecificeerd (zie artikel 23, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 12, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht). Dit staat in contrast met het gevaar dat wordt gevormd door ongeoorloofde handelingen waarbij springstoffen zijn betrokken.
Er bevinden zich ook lacunes in de bepalingen inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid met betrekking tot georganiseerde misdaad en explosieven. Tot op heden is er geen sprake van een beroepsmatig of in een bende gebaseerd verzwarend element van strafbare feiten op grond van het SprengG, dat zou overeenkomen met de vergelijkbare bepalingen van de precursoren of de wapenwet.
Bovendien heeft het strafrecht in de praktijk aangetoond dat er zich nog steeds aanzienlijke lacunes bevinden in de bepalingen inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de ongeoorloofde exploitatie van een niet-commercieel magazijn voor springstoffen en met betrekking tot de ongeoorloofde, niet-commerciële verplaatsing van springstoffen.
Bovendien is het AusgStG volgens de huidige wet in gebrek aan een specifieke confiscatiebepaling in de zin van artikel 74, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat, wanneer er strafbare feiten op grond van artikel 13, AusgStG, worden gepleegd (verboden bepaling, verplaatsing, bezit of gebruik van een precursor voor explosieven waarvoor krachtens de EU-verordening inzake precursoren voor explosieven een beperking geldt), de confiscatie van dergelijke precursoren niet mogelijk is als “loutere” voorwerpen van een misdrijf die niet door het strafbare feit zijn geproduceerd (producten van misdrijf), noch zijn gebruikt of bestemd voor het plegen of voorbereiden ervan (middelen van misdrijf).
In dit verband is het dringend noodzakelijk om het (aanvullende) strafrecht en de bepalingen van de criminele procedure aan te vullen.
10. Verwijzing naar basisteksten: De basisteksten zijn toegestuurd in het kader van een eerdere kennisgeving:
2009/0092/D
2004/0513/D
11. Nee
12.
13. Nee
14. Nee
15. Nee
16.
TBT-aspect: Nee
SPS-aspect: Nee
**********
Europese Commissie
Contactpunt Richtlijn (EU) 2015/1535
email: grow-dir2015-1535-central@ec.europa.eu