Bericht 002
Mededeling van de Commissie - TRIS/(2020) 04585
Richtlijn (EU) 2015/1535
Vertaling van het bericht 001
Kennisgeving: 2020/0813/D
No abre el plazo - Nezahajuje odklady - Fristerne indledes ikke - Kein Fristbeginn - Viivituste perioodi ei avata - Καμμία έναρξη προθεσμίας - Does not open the delays - N'ouvre pas de délais - Non fa decorrere la mora - Neietekmē atlikšanu - Atidėjimai nepradedami - Nem nyitja meg a késéseket - Ma’ jiftaħx il-perijodi ta’ dawmien - Geen termijnbegin - Nie otwiera opóźnień - Não inicia o prazo - Neotvorí oneskorenia - Ne uvaja zamud - Määräaika ei ala tästä - Inleder ingen frist - Не се предвижда период на прекъсване - Nu deschide perioadele de stagnare - Nu deschide perioadele de stagnare.
(MSG: 202004585.NL)
1. MSG 002 IND 2020 0813 D NL 17-12-2020 D NOTIF
2. D
3A. Bundesministerium für Wirtschaft und Energie, Referat E C 2, 11019 Berlin,
Tel.: 0049-30-2014-6353, E-Mail: infonorm@bmwi.bund.de
3B. 14 Landesmedienanstalten
c/o ALM GbR - die medienanstalten
Friedrichstraße 60,10117 Berlin
Tel.:+49 30 20646900
E-Mail: europa@die-medienanstalten.de
4. 2020/0813/D - SERV30
5. Reglement van de media-instanties van de deelstaten betreffende de concretisering van de bepalingen van het staatsverdrag inzake mediaplatforms en gebruikersinterfaces
6. - Diensten van de informatiemaatschappij conform art. 2, onder a), Richtlijn 2000/31/EG
- mediaplatforms, gebruikersinterfaces
7. -
8. De voorschriften van het aangemelde reglement dienen ter verzekering van de veelheid van meningen op zogenaamde mediaplatforms en gebruikersinterfaces.
Met het begrip mediaplatform (§ 2, lid 2, punt 14 van het staatsverdrag inzake media) behandelt het staatsverdrag inzake media de telemedia, die bv. radioprogramma’s of “online-pers” samenvatten in een totaalaanbod. Het betreft vooral aanbieders van tv-kabelnet en OTT-live-streaming portalen.
Het begrip gebruikersinterface (§ 2, lid 2, punt 15 van het staatsverdrag inzake media) behandelt bovendien aangifte- en belastingniveaus van of voor mediaplatforms, voor zover deze ter oriëntatie dienen en rechtstreeks de keuze van aanbiedingen mogelijk maken. Het gaat in het bijzonder over visuele gebruikersinterfaces van kabelnetplatforms alsook van smart-tv’s.
Het hier aangemelde reglement van de media-instanties van de deelstaten omvat naast de procedurevoorschriften (§§ 12 e.v.) in essentie concretiseringen bij de in § 72 van het staatsverdrag inzake media voorziene reguleringsdrempels (§ 1), bij het voorschrift inzake de bescherming van de integriteit van signalen overeenkomstig § 80 van het staatsverdrag inzake media (§ 3) en bij de toegangs- en navigatieregeling overeenkomstig § 82 tot en met 84 van het staatsverdrag inzake media (§ 5 tot en met 10).
Over de belangrijkste onderdelen in detail:
• § 78 van het staatsverdrag inzake media bevat in het kader van het evenredigheidsbeginsel kwantitatieve reguleringsdrempels. Deze bepalen dat mediaplatforms en gebruikersinterfaces alleen worden behandeld, wanneer ze volgens het maandgemiddelde dagelijks meer dan 20 000 effectieve gebruikers hebben (§ 78, zin 2, punt 2 van het staatsverdrag inzake media). Het reglement concretiseert in § 1 de maatstaven en metrieken (§ 1, lid 5) die bij de bepaling van deze reguleringsdrempels moeten worden beoogd.
• Overeenkomstig § 80 van het staatsverdrag inzake media mogen aanbieders van mediaplatforms en gebruikersinterfaces alleen met toestemming van de omroep programma’s wisselen, tenzij de gebruiker de wisseling heeft teweeggebracht. Bovendien geldt overeenkomstig § 80, lid 1, punt 1 van het staatsverdrag inzake media een verbod om radioprogramma’s incl. HbbTV-signalen inhoudelijk of technisch te wijzigen. Het reglement stelt in § § 3, lid 1 duidelijk dat er bijvoorbeeld sprake is van een technische verandering wanneer HbbTV-signalen van aanbieders van mediaplatforms niet worden doorgestuurd, maar (actief) onderdrukt. Een verplichting inzake technische interoperabiliteit respectievelijk inbouw wordt uitdrukkelijk niet beoogd. In aanvulling hierop stelt § 3, lid 2 van het reglement dat er ook sprake is van een wisseling waarvoor toestemming is vereist, wanneer lineaire radioprogramma’s naar keuze door de gebruiker door pre-rolls worden gewisseld.
• Aanbieders van mediaplatforms zijn overeenkomstig § 82 van het staatsverdrag inzake media verplicht om de voor de toegang tot het platform opgestelde voorwaarden vrij van discriminatie en met respect voor gelijke kansen te organiseren. Naast de concretisering van deze principes in § 5 tot en met 7 stelt het reglement in § 8, lid 1 hierover duidelijk dat ook financiële (bv. vergoedingen en tarieven) en technische voorschriften van de platformaanbieder aan deze principes moeten voldoen. De maatstaf voor de beoordeling in de praktijk moet een algemene afweging van de belangen in het licht van de verzekering van de veelheid van meningen zijn (zie § 6, lid 2).
• Overeenkomstig § 85 van het staatsverdrag inzake media moeten mediaplatforms en gebruikersinterfaces in het bijzonder transparantie bieden over de criteria die ten grondslag liggen aan de keuze van radioprogramma’s in een totaalaanbod. Het reglement concretiseert in § 11 de eisen die moeten worden gesteld aan aan de aard en manier waarop transparantie wordt verschaft. Hiertoe worden de begrippen “licht waarneembaar”, “direct waarneembaar” en “permanent beschikbaar” verduidelijkt (§ 11, lid 3 tot en met 5).
9. Het hierbij aangemelde reglement concretiseert de bepalingen van het staatsverdrag inzake mediaplatforms en gebruikersinterfaces op basis van een desbetreffende competentie in § 88 van het staatsverdrag inzake media. Het reglement heeft een juridisch bindend effect ten opzichte van de betrokken bestemmelingen van de regulering.
De media-instanties van de deelstaten hebben de opmerkingen van de Europese Commissie bij het staatsverdrag inzake media - met name de opmerkingen over vragen inzake de verzekering van de veelheid van meningen - in het kader van de toenmalige kennisgevingsprocedure nr. 2020/26/D grondig geanalyseerd en meegenomen in de uitwerking van het reglement.
Hiermee rekening houdend gaat het reglement enerzijds niet verder dan de inhoud van de onderliggende bepalingen van het staatsverdrag inzake media. Anderzijds biedt het een interpretatie conform het Europees recht van de delen van het staatsverdragen die de Europese Commissie in haar opmerkingen als bekritiseerbaar heeft beschouwd.
Het behoort reeds sinds het begin tot de kerntaken van de media-instanties en versterkt sinds de vorming van de commissie over de mediaconcentratie (KEK) de grondgedachte om de verzekering van de veelheid van meningen in de media in de praktijk toe te passen. Voor deze regulerende taak van de media-instanties met betrekking tot de verzekering van de veelheid van meningen vormt het onderhavige reglement alsook het onderliggende staatsverdrag inzake media nu een duidelijke juridische basis. Uit een samenvattend overzicht van het staatsverdrag inzake media en het reglement wordt duidelijk dat het rechtskader in Duitsland met betrekking tot mediaplatforms en gebruikersinterfaces uitsluitend veelheidsbevorderende doeleinden nastreeft, in dat opzicht in overeenstemming met het Europees recht is en voor het overige ook is beperkt door de wettelijke opdracht van de media-instanties op dat gebied.
10. Verwijzingen naar basisteksten: Staatsverdrag voor de modernisering van het medialandschap in Duitsland
De basisteksten zijn al toegestuurd in het kader van een eerdere kennisgeving: 2020/26/D
11. Nee
12. -
13. Nee
14. Nee
15. -
16. TBT-aspect
NEE - Het ontwerp heeft geen grote invloed op de internationale handel.
SPS-aspect
NEE - Het ontwerp heeft geen grote invloed op de internationale handel.
**********
Europese Commissie
Contactpunt Richtlijn (EU) 2015/1535
Fax: +32 229 98043
email: grow-dir2015-1535-central@ec.europa.eu