Bericht 002
Mededeling van de Commissie - TRIS/(2021) 00750
Richtlijn (EU) 2015/1535
Vertaling van het bericht 001
Kennisgeving: 2021/0124/D
No abre el plazo - Nezahajuje odklady - Fristerne indledes ikke - Kein Fristbeginn - Viivituste perioodi ei avata - Καμμία έναρξη προθεσμίας - Does not open the delays - N'ouvre pas de délais - Non fa decorrere la mora - Neietekmē atlikšanu - Atidėjimai nepradedami - Nem nyitja meg a késéseket - Ma’ jiftaħx il-perijodi ta’ dawmien - Geen termijnbegin - Nie otwiera opóźnień - Não inicia o prazo - Neotvorí oneskorenia - Ne uvaja zamud - Määräaika ei ala tästä - Inleder ingen frist - Не се предвижда период на прекъсване - Nu deschide perioadele de stagnare - Nu deschide perioadele de stagnare.
(MSG: 202100750.NL)
1. MSG 002 IND 2021 0124 D NL 25-02-2021 D NOTIF
2. D
3A. Bundesministerium für Wirtschaft und Energie, Referat E C 2, 11019 Berlin,
Tel.: 0049-30-2014-6392, E-Mail: infonorm@bmwi.bund.de
3B. Bundesministerium für Umwelt, Naturschutz und nukleare Sicherheit, Referat WR II 8, Robert-Schuman-Platz 3, 53175 Bonn, Tel.: 0049-228-99305-2590, Fax: 0049-228-99305-2398, E-Mail: WRII8@bmu.bund.de
4. 2021/0124/D - B30
5. Verordening tot invoering van een verordening inzake vervangende bouwmaterialen, tot herziening van de federale verordening inzake bodembescherming en lasten uit het verleden en tot wijziging van de verordening inzake stortplaatsen en de verordening inzake bedrijfsafval (kaderverordening vervangende bouwmaterialen en bodembescherming)
6. Met de verordening inzake vervangende bouwmaterialen (artikel 1 van de kaderverordening) worden milieuvereisten vastgelegd voor de productie en toepassing van vervangende minerale bouwmaterialen in technische bouwwerken. Vervangende minerale bouwmaterialen zijn voornamelijk kringloopbouwmaterialen uit de sanering van bouwafval en wegenbouwafval alsmede slakken en assen van industrie- en verbrandingsprocessen. De verordening inzake vervangende bouwmaterialen is van toepassing op losse materialen. De verordening omvat geen samengestelde bouwproducten.
De bestaande federale verordening inzake bodembescherming en lasten uit het verleden (artikel 2 van de kaderverordening) wordt uitgebreid met bepalingen over de voorwaarden waaronder bodemmateriaal en baggerspecie en tot op zekere hoogte ook andere materialen hergebruikt mogen worden voor het opvullen van afgravingen en open groeven.
7. –
8. In de verordening inzake vervangende bouwmaterialen wordt de productie van vervangende minerale bouwmaterialen gereguleerd, door middel van een stelsel van kwaliteitscontrole dat leidt tot een indeling van de materialen in materiaalklassen op basis van het gehalte aan schadelijke stoffen. De toepassing van deze materialen wordt vervolgens afhankelijk gesteld van toepassingsvereisten per klasse waardoor een goede bodem- en grondwaterbescherming wordt gewaarborgd.
In detail:
In punt 3 worden de vereisten voor de toelating van bouw- en sloopafval in saneringsinstallaties vastgelegd (toelatingscontrole).
In de punten 4 tot en met 13 wordt de procedure inzake de kwaliteitscontrole bij saneringsinstallaties gereguleerd (geschiktheidsbewijs, interne productiecontrole en externe controle), alsmede de omgang met de uit deze kwaliteitscontrole voortvloeiende meetresultaten ten aanzien van de naleving van de materiaalspecificaties en de indeling van de vervangende minerale bouwmaterialen.
In de punten 14 tot en met 18 wordt het onderzoek van niet-gezuiverd bodemmateriaal (afgegraven grond) en niet-gezuiverde baggerspecie gereguleerd.
In de punten 19 tot 23 worden de vereisten vastgesteld voor de toepassing van vervangende minerale bouwmaterialen in technische bouwwerken, die noodzakelijk zijn voor een preventieve bodem- en grondwaterbescherming, en wordt een meldingsplicht voor de toepassing van bepaalde vervangende minerale bouwmaterialen ingevoerd.
In punt 24 worden de vereisten vastgesteld voor de gescheiden inzameling en de recyclingverplichting bij het afgraven van minerale stoffen die als afval voortkomen uit de herbouw, de sanering of het herstel van technische bouwwerken. De bepaling komt overeen met het bepaalde in punt 8 van de verordening inzake bedrijfsafval.
In punt 25 wordt het bewaren van een leveringsbewijs verplicht en worden de daaraan te stellen inhoudelijke vereisten vastgelegd. Het leveringsbewijs waarborgt de controle op de vervangende minerale bouwmaterialen van de productie tot de toepassing.
Artikel 2. Federale verordening inzake bodembescherming en lasten uit het verleden (BBodSchV):
Met de herziening van de BBodSchV wordt deze aan de actuele wetenschappelijke inzichten en aan de in de loop van 15 jaar opgedane ervaringen aangepast. Bovendien wordt het toepassingsgebied van de BBodSchV uitgebreid met het aan- of inbrengen van materialen onder of buiten een doordringbare grondlaag. Als zodanig zullen in de toekomst ook opvullingen van afgravingen en open groeven onder de verordening vallen.
In detail:
In de punten 6 tot en met 8 wordt het aan- of inbrengen van materialen op of in de bodem opnieuw gereguleerd. Punt 6 bevat algemene vereisten voor aan- of inbrenging, zowel in de doordringbare grondlaag zelf als onder of buiten de doordringbare grondlaag. Punt 6 is met betrekking tot de regeling voor gebieden met een verhoogd gehalte aan schadelijke stoffen, de onderzoeksplicht en de uitvoeringsvereisten voor het aan- of inbrengen gebaseerd op de desbetreffende voorschriften van punt 12 van de huidige BBodSchV en is tevens gebaseerd op de desbetreffende gedeelten van de technische regels voor grondgebruik van 2004 [TR Boden 2004]. De in punt 7 opgenomen bijzondere vereisten met betrekking tot de doordringbare grondlaag zijn grotendeels overgenomen uit punt 12 van de huidige BBodSchV. In punt 8 worden de bijzondere vereisten, die zijn gebaseerd op de TR Boden 2004, voor het aan- of inbrengen onder of buiten de doordringbare grondlaag vastgesteld, met name ten aanzien van de gehaltes aan schadelijke stoffen.
Daaruit voortvloeiende wijzigingen:
Artikel 3. Wijziging van de verordening inzake stortplaatsen
De wijziging van de verordening inzake stortplaatsen maakt het mogelijk vervangende minerale bouwmaterialen (anders dan gevaarlijke afvalstoffen) die op grond van de verordening inzake vervangende bouwmaterialen aan kwaliteitsbewaking zijn onderworpen, af te voeren naar stortplaatsen van de klassen DK 0 en DK 1.
Artikel 4. Wijziging van de verordening inzake bedrijfsafval
Met de wijziging van de verordening inzake bedrijfsafval wordt de verhouding tot de verordening inzake vervangende bouwmaterialen verduidelijkt voor wat betreft de gescheiden inzameling van minerale afvalstoffen.
9. Ad artikel 1:
Doel van de verordening inzake vervangende bouwmaterialen is voor het eerst landelijk gelijke regelingen in te stellen voor de te stellen beperkingen aan de doordringing van schadelijke stoffen in de bodem en in het grondwater via lekwater bij toepassing van minerale vervangende bouwmaterialen in technische bouwwerken.
De daarbij in acht te nemen vereisten worden tot dusver op deelstaatsniveau voornamelijk ontleend aan LAGA-mededeling nr. 20 en de TR Boden 2004. Deze zijn echter noch juridisch bindend, noch vakinhoudelijk actueel.
Voor het afleiden van limieten voor schadelijke stoffen voor wat betreft de in de verordening gedefinieerde vervangende minerale bouwmaterialen wordt het benodigde kader geboden door de wetsvoorschriften van de wet waterbeheer en de federale wet bodembescherming. Aspecten van de kringloopeconomie en het behoud van hulpbronnen zijn meegenomen bij het bepalen van de limieten voor schadelijke stoffen en de toepassingsvoorwaarden voor vervangende minerale bouwmaterialen.
Ad artikel 2:
Doel van de herziening van de BBodSchV is voor het eerst landelijk gelijke regelingen in te stellen voor de milieuvereisten voor het opvullen van afgravingen en open groeven. Hierbij wordt aangesloten bij de TR Boden 2004, die op deelstaatsniveau overwegend gebruikt worden, maar niet bindend en vakinhoudelijk niet geheel actueel zijn.
10. Referentiedocumenten – Basisteksten: Artikel 1 Geen basistekst beschikbaar
Artikel 2. Federale verordening inzake bodembescherming en lasten uit het verleden van 12 juli 1999 (BGBl. I blz. 1554), laatstelijk gewijzigd bij artikel 126 van de verordening van 19 juni 2020 (BGBl. I blz. 1328).
Artikel 3. Verordening inzake stortplaatsen van 27 april 2009 (BGBl. I blz. 900), laatstelijk gewijzigd bij artikel 2 van de verordening van 30 juni 2020 (BGBl. I blz. 1533).
Artikel 4. Verordening inzake bedrijfsafval van 18 april 2017 (BGBl. I blz. 896), laatstelijk gewijzigd bij artikel 5, lid 2, van de wet van 23 oktober 2020 (BGBl. I blz. 2232).
Basisteksten zijn ingediend in het kader van een eerdere kennisgeving: 2017/176/D
11. Nee
12. –
13. Nee
14. Nee
15. –
16. TBT-aspect
NEE - Het ontwerp heeft geen grote invloed op de internationale handel.
SPS-aspect
Nee – Het ontwerp is geen sanitaire of fytosanitaire maatregel.
**********
Europese Commissie
Contactpunt Richtlijn (EU) 2015/1535
Fax: +32 229 98043
email: grow-dir2015-1535-central@ec.europa.eu