Bericht 002
Mededeling van de Commissie - TRIS/(2020) 01101
Richtlijn (EU) 2015/1535
Vertaling van het bericht 001
Kennisgeving: 2020/0174/D
No abre el plazo - Nezahajuje odklady - Fristerne indledes ikke - Kein Fristbeginn - Viivituste perioodi ei avata - Καμμία έναρξη προθεσμίας - Does not open the delays - N'ouvre pas de délais - Non fa decorrere la mora - Neietekmē atlikšanu - Atidėjimai nepradedami - Nem nyitja meg a késéseket - Ma’ jiftaħx il-perijodi ta’ dawmien - Geen termijnbegin - Nie otwiera opóźnień - Não inicia o prazo - Neotvorí oneskorenia - Ne uvaja zamud - Määräaika ei ala tästä - Inleder ingen frist - Не се предвижда период на прекъсване - Nu deschide perioadele de stagnare - Nu deschide perioadele de stagnare.
(MSG: 202001101.NL)
1. MSG 002 IND 2020 0174 D NL 30-03-2020 D NOTIF
2. D
3A. Bundesministerium für Wirtschaft und Energie, Referat E C 2, 11019 Berlin,
Tel.: 0049-30-2014-6353, Fax: 0049-30-2014-5379, E-Mail: infonorm@bmwi.bund.de
3B. Bundesministerium der Justiz und für Verbraucherschutz, Referat V B 2, 10117 Berlin
Tel.: 0049-30-18580-9522, Fax: 0049-30-18580-9525, E-Mail: poststelle@bmjv.bund.de
4. 2020/0174/D - SERV60
5. Ontwerpwet tot wijziging van de wet ter verbetering van de rechtshandhaving op sociale netwerken
6. Aanbieders van sociale netwerken en videoplatforms
7. -
8. Krachtens de wet ter verbetering van de rechtshandhaving op sociale netwerken (wet sociale netwerken) zijn de grote sociale netwerken verplicht gebruik te maken van een klachtenbeheersysteem, aan de hand waarvan zij klachten van gebruikers in ontvangst moeten nemen en controleren en onwettige, d.w.z. strafbare inhoud moeten verwijderen of blokkeren.
In de ontwerpwet wordt de wet sociale netwerken aangepast aan de nieuwe bepalingen van Richtlijn (EU) 2018/1808, waarbij Richtlijn 2010/13/EU betreffende audiovisuele mediadiensten is gewijzigd. De richtlijn audiovisuele mediadiensten bevat nieuwe bepalingen inzake compliancevoorschriften ter bescherming tegen ongeoorloofde inhoud van videoplatformdiensten. Deze diensten vallen nu al gedeeltelijk onder de wet sociale netwerken. In tegenstelling tot de huidige wet sociale netwerken wordt in het kader van de richtlijn audiovisuele mediadiensten ook de invoering vereist van compliancevoorschriften voor kleine en onderwerpspecifieke aanbieders.
De verdeling van verantwoordelijkheden tussen de lidstaten, zoals geregeld in de richtlijn audiovisuele mediadiensten, wordt in acht genomen. Voor videoplatformdiensten die zijn gevestigd in een andere lidstaat of daar als gevestigd worden beschouwd, wordt ervan uitgegaan dat het minimumniveau van bescherming tegen bepaalde vormen van inhoud, dat krachtens artikel 28 ter van de richtlijn audiovisuele mediadiensten is geharmoniseerd, in de Europese wetgeving, wordt gewaarborgd door de andere lidstaat. In dit verband wordt de primaire bevoegdheid van de lidstaat van vestiging in acht genomen overeenkomstig artikel 28 bis, lid 1, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten. Duitse instanties zijn overeenkomstig artikel 28 bis, lid 5, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, juncto artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2000/31/EG (richtlijn inzake elektronische handel) enkel bevoegd op de zogenaamde marktplaats in gevallen van bijzondere noodzaak en in beginsel alleen na overleg met de lidstaat van vestiging.
De omzetting van de richtlijn audiovisuele mediadiensten is vastgelegd in § 3d tot en met § 3f van de wet sociale netwerken. In dit opzicht bevat § 3d van de wet sociale netwerken de noodzakelijke definities en regelingen voor het bepalen van de overeenkomstig artikel 28 bis, lid 1, van de richtlijn audiovisuele mediadiensten bevoegde lidstaat waarin een aanbieder is gevestigd of geacht wordt te zijn gevestigd. In § 3e, lid 1, van de wet sociale netwerken is bepaald dat de bepalingen van de wet sociale netwerken in beginsel van toepassing zijn op videoplatformdiensten die op deze manier zijn geregistreerd, evenwel met inachtneming van de bijzondere bepalingen in § 3e, leden 2 tot en met 4 van de wet sociale netwerken, met name inzake kleinere en buitenlandse aanbieders. Deze bijzondere bepalingen zijn van toepassing op door de gebruiker gegenereerde video’s en programma’s die onder de wet sociale netwerken vallen, terwijl bijvoorbeeld tekstinhoud onaangetast blijft en de toepasselijkheid van de wet sociale netwerken in die zin niet wordt beperkt. Krachtens § 3f van de wet sociale netwerken wordt er een ambtelijke arbitragecommissie ingesteld voor geschillen met videoplatformdiensten.
De ontwerpwet voorziet in verdere wijzigingen, die met name de rechtspositie van gebruikers ten opzichte van de sociale netwerken verbeteren in geval van een geschil over maatregelen van de netwerken, bijvoorbeeld het verwijderen van inhoud, en zullen zorgen voor meer transparantie.
Gezien de ervaringen met de transparantieverslagen tot nu toe, moet de inhoud en vergelijkbaarheid van de transparantieverslagen overeenkomstig § 2 van de wet sociale netwerken worden verbeterd. Daarom moet er voortaan onder andere verslag worden uitgebracht over wijzigingen in de transparantieverslagen ten opzichte van voorgaande verslagleggingsperioden en over de mogelijke redenen hiervoor. Om het voor het publiek gemakkelijker te maken verslagen van verschillende aanbieders te vergelijken, moeten de rapporten voortaan een samenvatting van de essentiële informatie bevatten. Verder moet er voortaan onder andere ook verslag worden uitgebracht over het omgaan met bezwaren (bijvoorbeeld het aantal “put-backs”) en over de grondslagen van het functioneren van geautomatiseerde processen bij het opsporen van inhoud die moet worden verwijderd, als de aanbieders dergelijke processen gebruiken. De aanbieders moeten voortaan ook verslag uitbrengen over de vraag of en in welke mate wetenschap en onderzoek toegang krijgen tot kennis voor anonieme evaluatie, die betrekking heeft op specifieke gevallen van het in verlegenheid brengen door illegale inhoud, gecoördineerd gedrag bij de verspreiding van illegale inhoud en het koppelen daarvan aan bijzondere persoonlijke kenmerken.
§ 3, lid 1, zin 2, van de wet sociale netwerken wordt aangevuld om te verduidelijken dat de meldingskanalen waarlangs klachten over illegale inhoud kunnen worden doorgegeven, gemakkelijk te gebruiken moeten zijn en op basis van de inhoud al gemakkelijk herkenbaar en direct toegankelijk moeten zijn. Dit maakt nogmaals duidelijk dat een moeilijk te vinden, lang of ingewikkeld “klikpad” van de te melden inhoud naar de mogelijkheid om een klacht in te dienen niet verenigbaar is met de wet.
Met het nieuwe § 3b van de wet sociale netwerken wordt een zogeheten bezwaarprocedure ingesteld. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat klagers enerzijds en schrijvers van inhoud anderzijds in staat worden gesteld de aanbieder van een sociaal netwerk op gemakkelijke wijze te vragen een beslissing over inhoud te herzien.
Met § 3c van de wet sociale netwerken wordt de mogelijkheid tot erkenning voor een privaatrechtelijke arbitragecommissie ingevoerd. Een dergelijke arbitrage kan bijdragen tot het bereiken van een buitengerechtelijke oplossing voor geschillen tussen klagers of gebruikers en de aanbieder.
Krachtens § 4a van de wet sociale netwerken krijgt het Bondsministerie van Justitie toezicht- en verordeningsbevoegdheid toegewezen.
In § 5, lid 1, van de wet sociale netwerken wordt duidelijk gemaakt dat klachten kunnen worden ingediend bij personen die bevoegd zijn om de betekening te ontvangen van documenten waarmee het ongegronde vermoeden van het bestaan van illegale inhoud wordt beweerd. Hieronder vallen in het bijzonder klachten waarmee wordt verzocht om inhoud terug te plaatsen die om die reden door het netwerk is verwijderd of waarin wordt gewezen op de ontoelaatbaarheid van een daarop gebaseerde blokkering van een account.
Volgens § 5, lid 2, van de wet sociale netwerken moeten de bevoegde ontvangers die beschikbaar zijn als nationale contactpersonen voor de openbare ministeries in de toekomst rechtstreeks worden aangewezen bij het Bondsministerie van Justitie, dat op zijn beurt informatie kan verstrekken aan de openbare ministeries.
§ 14, leden 3 en 4, van de telemediawet wordt in die zin aangevuld dat de rechtbank die beslist over de toelaatbaarheid van de vrijgave van gegevens, voortaan ook de verplichting kan opleggen om gegevens vrij te geven.
9. De noodzaak om strafbare haatzaaiende taal op internet te bestrijden, blijft actueel. Burgers mogen verwachten dat strafbare aanvallen zoals het aanzetten tot haat of bedreigingen niet lijdzaam moeten worden getolereerd. Dit geldt ook voor internet. Hier komt bij dat strafbare haatzaaiende taal een voedingsbodem kan worden voor daadwerkelijke aanvallen op het leven van burgers. Bovendien kan strafbare haatzaaiende taal een sterk intimiderend effect hebben, dat behalve de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van handelen van het individu ook het democratische discours als zodanig in gevaar brengt en daarmee de grondslagen van onze democratie als geheel.
De aanpak van de wet sociale netwerken, die in werking is getreden op 1 oktober 2017, om de bestaande verantwoordelijkheid van aanbieders van sociale netwerk te specificeren bij de behandeling van klachten over illegale inhoud die onder hun aandacht worden gebracht (notice-and-take-down), heeft zijn waarde in principe bewezen.
De huidige praktijkervaring met de wet sociale netwerken toont echter aan dat sommige regelgeving verder moet worden ontwikkeld. Bovendien is het nodig de wet sociale netwerken aan te passen aan de nieuwe bepalingen van de richtlijn audiovisuele mediadiensten.
De aanvullingen in deze ontwerpwet geven concrete invulling aan het klachtenbeheersysteem dat al met de wet sociale netwerken is ingevoerd (bijv. de bezwaarprocedure, de vereisten voor instellingen voor gereguleerde zelfregulering) en vallen derhalve onder de procedures die moeten worden gereguleerd overeenkomstig artikel 14, lid 3, tweede zin, van de richtlijn inzake elektronische handel. De vereisten voor het controleren en, indien nodig, snel verwijderen of blokkeren van inhoud wordt in dit ontwerp niet aangescherpt. De arbitragebepalingen leiden niet tot een dienstverleningsbeperkende verplichting voor aanbieders, aangezien artikel 17 van de richtlijn inzake elektronische handel de nationale mechanismen voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting juist niet wil beperken.
10. Verwijzingen naar basisteksten: De wet ter verbetering van de rechtshandhaving op sociale netwerken van 1 september 2017 (Duits staatsblad I, blz. 3352).
https://www.gesetze-im-internet.de/netzdg/NetzDG.pdf
De telemediawet van 26 februari 2007 (Duits staatsblad I, blz. 179), laatstelijk gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 11 juli 2019 (Duits staatsblad I, blz. 1066)
https://www.gesetze-im-internet.de/tmg/TMG.pdf
11. Nee
12. -
13. Nee
14. Nee
15. Voor de aanbieders van sociale netwerken brengt het ontwerp een eenmalige uitgave van 284 000 EUR en 2 279 000 EUR per jaar met zich mee. Hiervan zijn eenmalig 45 400 EUR en 89 400 EUR per jaar nodig voor een een-op-een omzetting van artikel 28 ter van Richtlijn 2010/13/EU (richtlijn audiovisuele mediadiensten). Voor de staat ontstaan er uitvoeringskosten ter hoogte van 1 064 987,22 EUR per jaar. Voor de gerechtelijke diensten van de deelstaten worden extra kosten van 63 000 EUR per jaar verwacht.
16. TBT-aspect
Nee – Het ontwerp heeft geen grote invloed op de internationale handel.
SPS-aspect
Nee – Het ontwerp heeft geen grote invloed op de internationale handel.
**********
Europese Commissie
Contactpunt Richtlijn (EU) 2015/1535
Fax: +32 229 98043
email: grow-dir2015-1535-central@ec.europa.eu