Bericht 001
Mededeling van de Commissie - TRIS/(2026) 1412
Richtlijn (EU) 2015/1535
Kennisgeving: 2026/0260/DE
Kennisgeving van een ontwerptekst van een lidstaat
Notification – Notification – Notifzierung – Нотификация – Oznámení – Notifikation – Γνωστοποίηση – Notificación – Teavitamine – Ilmoitus – Obavijest – Bejelentés – Notifica – Pranešimas – Paziņojums – Notifika – Kennisgeving – Zawiadomienie – Notificação – Notificare – Oznámenie – Obvestilo – Anmälan – Fógra a thabhairt
Does not open the delays - N'ouvre pas de délai - Kein Fristbeginn - Не се предвижда период на прекъсване - Nezahajuje prodlení - Fristerne indledes ikke - Καμμία έναρξη προθεσμίας - No abre el plazo - Viivituste perioodi ei avata - Määräaika ei ala tästä - Ne otvara razdoblje kašnjenja - Nem nyitja meg a késéseket - Non fa decorrere la mora - Atidėjimai nepradedami - Atlikšanas laikposms nesākas - Ma jiftaħx il-perijodi ta’ dewmien - Geen termijnbegin - Nie otwiera opóźnień - Não inicia o prazo - Nu deschide perioadele de stagnare - Nezačína oneskorenia - Ne uvaja zamud - Inleder ingen frist - Ní osclaíonn sé na moilleanna
MSG: 20261412.NL
1. MSG 001 IND 2026 0260 DE NL 22-05-2026 DE NOTIF
2. Germany
3A. Bundesministerium für Wirtschaft und Energie, Referat EB3
3B. Der Beauftragte der Bundesregierung für Kultur und Medien (BKM), Referat KM56 (E-Mail: km56@bkm.bund.de)
4. 2026/0260/DE - SERV30 - Media
5. Wet inzake de bevordering van Europese audiovisuele producties via een investeringsverplichting voor aanbieders van mediadiensten (wet inzake media-investeringsverplichting – MedienInvestVG)
6. Mediadiensten op aanvraag of videodiensten op aanvraag
7.
8. In het kader van de wet inzake media-investeringsverplichting zijn aanbieders van mediadiensten, d.w.z. videodiensten op aanvraag en televisieomroepen met mediabibliotheken die voordeel halen uit de Duitse kijkersmarkt, verplicht om acht procent van hun netto-omzet (of, in het geval van publieke omroepen, van hun programma-uitgaven) te investeren in de productie en distributie van Europese audiovisuele producties. Het doel is te zorgen voor een stabiel en duurzaam niveau van investeringen in de Duitse productiesector. Een vastgesteld deel van deze investeringen moet via subquota worden toegewezen aan de productie van nieuwe producties (60 %), aan originele Duitstalige producties (80 %) en aan producties van onafhankelijke filmproducenten (70 %). Bovendien is een clausule inzake terugval van rechten bedoeld om de positie van onafhankelijke filmproducenten te versterken. Om tegelijkertijd voldoende flexibiliteit voor de markt te waarborgen, biedt een "opt-out”-clausule de mogelijkheid om af te wijken van de investeringsbepalingen van de wet via een vrijwillige overeenkomst tussen de aanbieder van mediadiensten en één of meer representatieve verenigingen van producenten, op voorwaarde dat de aanbieder van mediadiensten zich verbindt tot een verhoging van de investeringen met minstens 12 procent en dat er billijke afspraken worden gemaakt over de toekenning van gebruiksrechten. De Duitse Federale Filmraad (FFA) zal de naleving van zowel wettelijke als vrijwillige verplichtingen verifiëren op basis van vertrouwelijke overdracht van de relevante omzetcijfers en investeringsdocumentatie door de aanbieders van mediadiensten. In gevallen van niet-naleving kan de FFA een compenserende heffing opleggen. De doeltreffendheid van de wet zal na drie jaar worden geëvalueerd door de Federale Regeringscommissaris voor cultuur en media (BKM) die aan de Bundestag verslag zal uitbrengen over de bevindingen.
9. De wet inzake media-investeringsverplichting is bedoeld om een stabiel en duurzaam niveau van investeringen en marktpluriformiteit te waarborgen en tegelijkertijd de structuur van de Europese en Duitse filmindustrie en de door innovatie aangestuurde mededinging te bevorderen. De wet draagt dan ook bij aan het behoud van het mededingingsvermogen van de productiesector in Duitsland en Europa en aan de versterking van de Europese film- en televisiesector, evenals de creatieve professionals die daarin werkzaam zijn.
9a. Ter verwezenlijking van de doelstelling om de Duitse en Europese productiesector te versterken en de diversiteit van de aangeboden inhoud te waarborgen, garandeert de wet inzake media-investeringsverplichting dat de vereiste investeringen niet alleen gaan naar licenties voor bestaande producties maar ook specifiek naar de creatie van nieuwe inhoud.
De verplichting om een deel van de investeringen te besteden aan producties in de Duitse taal versterkt de Duitstalige productiesector, bevordert de culturele diversiteit in de audiovisuele sector en ondersteunt de Duitse taal voor zover dit binnen de grenzen van het EU-recht is toegestaan. De richtlijn audiovisuele mediadiensten (AVMD) biedt de lidstaten ook de mogelijkheid maatregelen vast te stellen om de culturele diversiteit op de audiovisuele markt te beschermen. De lidstaten kunnen strengere bepalingen, zoals op taal gebaseerde vereisten, invoeren dan die welke in de richtlijn audiovisuele mediadiensten zijn vastgesteld, mits deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft dit bevestigd in zijn onderzoek van een Spaanse taalquota (zie HvJ-EU, arrest van 5 maart 2009 – C‑222/07 – UTECA).
In aanmerking komende producties moeten voornamelijk worden geproduceerd door filmproducenten die onafhankelijk zijn van de aanbieder van mediadiensten die de productie in opdracht geeft (= relatieve onafhankelijkheid). Aan dit subquotum kan derhalve alleen worden voldaan als de aanbieder van mediadiensten geen bedrijfscontrole over de producent uitoefent. Het versterkt de marktdiversiteit, zorgt voor het behoud van een gevarieerde productiesector en komt uiteindelijk ten goede van de gebruikers.
Daarnaast is de wet bedoeld om filmproducenten te stimuleren om te innoveren en hun economische onafhankelijkheid te versterken. Dit doel wordt bereikt door filmproducenten in staat te stellen duurzamer dan voorheen voordeel te halen uit de ontwikkeling en productie van audiovisuele producties. Er bestaat momenteel tussen mediadiensten en filmproducenten een structurele onbalans die het innovatievermogen van de sector belemmert. De wet biedt hiervoor een oplossing door een geleidelijke terugval van rechten ten gunste van producenten in te voeren, gekoppeld aan de investeringsverplichting. Dit mechanisme stelt onafhankelijke productiebedrijven in staat om in de loop der tijd hun eigen catalogus van rechten op te bouwen, deze rechten autonoom op de markt te brengen en de daaruit voortvloeiende inkomsten te herinvesteren in de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve inhoud en projecten. Op deze manier nemen onafhankelijke filmproducenten duurzamer dan voorheen deel aan het economische succes van de producties die zij ontwikkelen en produceren, waardoor hun economische veerkracht wordt versterkt en de aanhoudende trend naar sterk verticaal geïntegreerde bedrijfsstructuren in de productiemarkt wordt tegengegaan.
Het versterken van onafhankelijke producties gaat niet alleen over het bereiken van economische doelstellingen. Het levert ook een essentiële bijdrage aan de culturele diversiteit, zoals erkend in de UNESCO-overeenkomst betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen (2005). De investeringsverplichting en het mechanisme voor terugval van rechten zijn geen afzonderlijke bepalingen; het zijn veeleer nauw met elkaar verbonden instrumenten die hun volledige regelgevende werking pas kunnen bereiken wanneer ze in onderlinge samenhang worden toegepast.
9b. De ontwikkeling van digitale mediatechnologieën en de toenemende transmissiebandbreedten hebben geleid tot nieuwe diensten op aanvraag en, als gevolg van de toenemende mediaconvergentie, tot een fundamentele transformatie van de mediaconsumptie. Niet-lineaire diensten op aanvraag – met name op abonnementen en advertenties gebaseerde video-on-demanddiensten (“Subscription-based Video-on-demand“ S-VoD, “Advertising-based Video-on-demand“ A-VoD) – winnen aan populariteit, terwijl het traditionele gebruik van lineaire televisie afneemt. De markt wordt gedomineerd door internationale aanbieders zoals Netflix, Amazon Prime Video, Apple TV en Disney+, waarvan de catalogi voornamelijk bestaan uit producties die in opdracht hiervan zijn gemaakt of in coproductie zijn gerealiseerd maar die niet voldoen aan de criteria van een “Europese productie“. De Europese Unie (EU) heeft in 2017 al gereageerd op deze marktontwikkelingen: om een adequate investering in Europese producties te waarborgen, kunnen de lidstaten op grond van artikel 13, lid 2, van de AVMD-richtlijn zowel aanbieders van mediadiensten die op hun grondgebied zijn gevestigd als aanbieders van mediadiensten die zich op hun grondgebied richten maar in een andere lidstaat zijn gevestigd (zogenaamde grensoverschrijdende diensten) verplichten tot directe investeringen in Europese producties.
Verschillende EU-lidstaten, waaronder Frankrijk, Italië, Portugal en Spanje, maken reeds gebruik van deze Europese machtiging.
Met de wet inzake media-investeringsverplichting neemt Duitsland ook deze stap. Gezien de investeringsverplichtingen die op grond van de AVMD-richtlijn in veel andere Europese lidstaten zijn ingevoerd, zou het ontbreken van een dergelijke verplichting in Duitsland een concurrentienadeel kunnen veroorzaken. Aanbieders van mediadiensten zouden hun investeringen, die voorheen in Duitsland zijn gedaan, in toenemende mate naar andere Europese landen kunnen verschuiven om aan de daar geldende verplichtingen te voldoen. Volgens het verslag over investeringen door omroepen en streamingdiensten in Europese originele content van 11 september 2025, gepubliceerd door het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector (blz. 18), blijven de investeringen van internationale streamingdiensten in Duitsland aanzienlijk achter in vergelijking met andere lidstaten en voldoen ze, gezien de omvang van de Duitse productiemarkt, ook niet aan de verwachtingen.
9c. Tegelijkertijd grijpt de wet inzake media-investeringsverplichting slechts in de meest beperkte mate in op de ondernemingsvrijheid van aanbieders van mediadiensten: aanbieders voldoen aan hun verplichtingen via directe investeringen, waarbij zij de vrijheid behouden om de betreffende filmproducent te kiezen, evenals het genre, de vorm en de inhoud van de te produceren of in licentie te geven audiovisuele productie, in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.
De investeringsverplichting geldt voor aanbieders van mediadiensten met zeer verschillende bedrijfsmodellen, programmeringsoriëntaties en bedrijfsstructuren. Om een zo groot mogelijke flexibiliteit te waarborgen, biedt artikel 9 hen de mogelijkheid om overeenkomsten te sluiten met één of meer representatieve verenigingen van filmproducenten, waardoor afwijkingen van de investeringsvereisten van de wet zijn toegestaan. Deze zogenoemde “opt-out”-clausule dient ter vrijwaring van de evenredigheid van de wettelijke interventie en zorgt ervoor dat de verplichting wordt uitgevoerd op een wijze die in overeenstemming is met de grondrechten.
Om gebruik te kunnen maken van deze flexibiliteit moet de aanbieder van mediadiensten zich ertoe verbinden om de investeringen met minstens twaalf procent te verhogen en moet de overeenkomst een bepaling inzake gebruiksrechten bevatten waarin naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van beide partijen. Dit waarborgt dat de wettelijke doelen ook in minstens een vergelijkbare mate worden bereikt of overschreden in het kader van een sectorale overeenkomst. De “opt-out”-clausule geldt in gelijke mate voor alle aanbieders van mediadiensten.
Net deze specifieke combinatie van enerzijds vrijwillige investeringsverplichtingen in het kader van individueel overeengekomen overeenkomsten en wettelijke bepalingen en anderzijds een wettelijk vastgelegd minimuminvesteringsquotum voor aanbieders van mediadiensten zorgt voor een zo groot mogelijke economische flexibiliteit en garandeert tegelijkertijd een minimumniveau aan investeringen in Duitsland.
10. Verwijzingen naar de basisteksten: Geen basisteksten beschikbaar
11. Nee
12.
13. Nee
14. Nee
15. Nee
16.
TBT-aspect: Nee
SPS-aspect: Nee
**********
Europese Commissie
Contactpunt Richtlijn (EU) 2015/1535
email: grow-dir2015-1535-central@ec.europa.eu