Bericht 001
Mededeling van de Commissie - TRIS/(2026) 1330
Richtlijn (EU) 2015/1535
Kennisgeving: 2026/0242/GR
Kennisgeving van een ontwerptekst van een lidstaat
Notification – Notification – Notifzierung – Нотификация – Oznámení – Notifikation – Γνωστοποίηση – Notificación – Teavitamine – Ilmoitus – Obavijest – Bejelentés – Notifica – Pranešimas – Paziņojums – Notifika – Kennisgeving – Zawiadomienie – Notificação – Notificare – Oznámenie – Obvestilo – Anmälan – Fógra a thabhairt
Does not open the delays - N'ouvre pas de délai - Kein Fristbeginn - Не се предвижда период на прекъсване - Nezahajuje prodlení - Fristerne indledes ikke - Καμμία έναρξη προθεσμίας - No abre el plazo - Viivituste perioodi ei avata - Määräaika ei ala tästä - Ne otvara razdoblje kašnjenja - Nem nyitja meg a késéseket - Non fa decorrere la mora - Atidėjimai nepradedami - Atlikšanas laikposms nesākas - Ma jiftaħx il-perijodi ta’ dewmien - Geen termijnbegin - Nie otwiera opóźnień - Não inicia o prazo - Nu deschide perioadele de stagnare - Nezačína oneskorenia - Ne uvaja zamud - Inleder ingen frist - Ní osclaíonn sé na moilleanna
MSG: 20261330.NL
1. MSG 001 IND 2026 0242 GR NL 15-05-2026 GR NOTIF
2. Greece
3A. ΕΛΟΤ, ΚΕΝΤΡΟ ΠΛΗΡΟΦΟΡΗΣΗΣ ΟΔΗΓΙΑΣ 98/34/Ε.Ε, ΚΗΦΙΣΟΥ 50, 121 33 ΠΕΡΙΣΤΕΡΙ, ΑΘΗΝΑ, Τ/Φ: + 30210- 2120104, Τ/Ο: + 30210- 2120131
3B. Υπουργείο Κλιματικής Κρίσης και Πολιτικής Προστασίας Διακυβέρνησης, Λεωφ. Κηφισίας 37-39 Τ.Κ. 15123 Μαρούσι,1,Τηλ.: +30 2132510149 9098852, αρμ.: Υπουργός Κλιματικής Κρίσης και Πολιτικής Προστασίας κ. Ευάγγελος Τουρνάς , e-mail :minister@civilprotection.gr
4. 2026/0242/GR - S00E - Milieu
5. Ontwerpverordening betreffende de brandbeveiliging van archeologische sites
6. Brandbeveiliging van archeologische sites
7.
8. Het doel van deze verordening is een alomvattend regelgevingskader vast te stellen voor de uitvoering en monitoring van brandbeschermingsmaatregelen en uitrusting voor archeologische sites in de open lucht, om het niveau van brandbeveiliging te verhogen, de kwetsbaarheid te verminderen en de verspreiding van potentiële branden te beperken.
Om dit doel te bereiken, worden in deze verordening de minimumvereisten vastgesteld om maatregelen en uitrusting uit te rollen zodat het publiek tijdig wordt gewaarschuwd in geval van brand, dat er vluchtroutes en nooduitgangen beschikbaar zijn, dat de nodige bewegwijzering wordt aangebracht, dat georganiseerde evacuatieplannen worden opgesteld, dat het personeel opleiding krijgt, dat er vegetatiebeheer is en brandgangen worden ingericht, dat de buitenkant van gebouwen structureel brandveilig is, dat actieve brandbeveiligingsmaatregelen worden uitgerold, en dat de brandbeveiligingsapparatuur en -systemen worden geïnspecteerd en onderhouden.
Bovendien vergemakkelijkt de uitvoering van de verordening de coördinatie en versterkt ze de samenwerking tussen de gezamenlijk bevoegde overheidsdiensten en -instanties. Zo is een uniforme, gecoördineerde en doeltreffende respons gewaarborgd op elke dreiging, alsook de vereiste paraatheid en onmiddellijke operationele respons in geval van een incident.
Deze verordening bevat, als specifieke brandbeveiligingsverordening voor archeologische sites in de open lucht, gedetailleerde bepalingen die een aanvulling vormen op de algemene voorschriften en bepalingen inzake brandbeveiliging voor sites in de open lucht, zoals het Brandbeveiligingsreglement voor eigendommen in of in de nabijheid van bossen (Griekse staatscourant, serie II, nr. 3475), de Voorschriften inzake brandbeveiliging voor gebouwen (presidentieel besluit nr. 41/2018, Griekse staatscourant, serie I, nr. 80 en presidentieel besluit nr. 71/1988, Griekse staatscourant, serie I, nr. 32), Besluit nr. 3/2015 (Griekse staatscourant, serie II, nr. 529) en Gezamenlijk ministerieel besluit nr. Π Π 1157/2026 (Griekse staatscourant, serie II, nr. 2323), en heeft voorrang op de hierin vastgestelde vereisten.
Aangezien het echter gaat om een specifieke verordening inzake brandbeveiligingsvereisten, is deze van toepassing in combinatie met de vereisten van andere specifieke verordeningen die betrekking hebben op de veiligheid en functionaliteit van bouwwerken of de installaties daarvan.
Deze verordening is niet van toepassing op gevallen van brandstichting, sabotage, vandalisme, branden als gevolg van terroristische daden of andere soortgelijke handelingen.
9. 1. Richtlijn (EU) 2015/1535 en presidentieel besluit 81/2018
Presidentieel besluit 81/2018 zet Richtlijn (EU) 2015/1535 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij om in Grieks recht. Het doel van het mechanisme is preventieve transparantie te waarborgen en te voorkomen dat door middel van nationale technische voorschriften ongerechtvaardigde belemmeringen voor de interne markt worden opgeworpen.
Overeenkomstig artikel 6 van presidentieel besluit 81/2018 moeten overheidsdiensten en -instanties die ontwerpen van technische voorschriften opstellen, deze bij de Europese Commissie aanmelden via het informatiecentrum van ELOT, dat als nationaal contactpunt dient.
2. De wachttermijn
Overeenkomstig de algemene regel van artikel 7, lid 1, van presidentieel besluit 81/2018 moet de auteur van de kennisgeving de vaststelling na de kennisgeving van een ontwerp voor een technisch voorschrift met drie maanden uitstellen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Europese Commissie. Die periode staat bekend als de wachttermijn, dat wil zeggen een periode waarin het ontwerp niet kan worden aangenomen, zodat de Commissie en de andere lidstaten opmerkingen of een uitvoerig advies kunnen indienen.
3. De “urgentieprocedure“
Bij wijze van uitzondering bepaalt artikel 7, lid 7, van presidentieel besluit 81/2018 dat de in de leden 1 tot en met 5 van dat artikel vastgestelde verplichtingen niet van toepassing zijn wanneer ministeries en overheidsinstanties om dringende redenen die te maken hebben met een ernstige en onvoorziene situatie, onder meer op het gebied van veiligheid, binnen een zeer kort tijdsbestek technische voorschriften moeten opstellen om deze onmiddellijk aan te nemen en in werking te doen treden, zonder dat overleg mogelijk is.
Deze procedure komt overeen met de urgentieprocedure uit hoofde van het EU-recht en leidt ertoe dat, indien zij door de Europese Commissie wordt aanvaard, de wachttermijn van drie maanden niet wordt toegepast. De redenen voor de urgentie dienen uitdrukkelijk in de kennisgeving te worden vermeld en dienen zodanig te zijn dat elke indruk van een misbruik van de procedure wordt uitgesloten.
9 bis. Het risico dat de verordening beoogt aan te pakken, is de uitbraak of verspreiding van een brand op archeologische sites. Dit risico is bijzonder groot omdat de meeste archeologische sites zich in of nabij bosrijke gebieden of op soortgelijk terrein bevinden, en vanwege de gevolgen van de klimaatverandering, die de frequentie, intensiteit en verspreidingssnelheid van bosbranden doen toenemen.
De verordening draagt systematisch en consistent bij tot de verwezenlijking van de doelstelling door één enkel, samenhangend en gespecialiseerd kader vast te stellen voor brandrisicopreventie, -paraatheid en -beheer. Met name maatregelen voor vegetatiebeheer en het inrichten van brandgangen verkleinen de kans dat er brand ontstaat en zich snel verspreidt, terwijl het aanleggen van adequate en geschikte vluchtroutes en nooduitgangen, voldoende noodverlichting, duidelijk zichtbare en passende veiligheidsborden en evacuatieplannen, evenals betrouwbare brandalarm- en meldingssystemen, de veiligheid van bezoekers vergroten en een effectievere reactie in noodsituaties mogelijk maken. Tegelijkertijd zorgen de opstelling van georganiseerde evacuatieplannen en het houden van regelmatige oefeningen en opleiding van het personeel ervoor dat de operationele paraatheid wordt verbeterd en de responstijden bij brandincidenten worden verkort.
De noodzaak van deze specifieke maatregel vloeit voort uit zowel de gedocumenteerde geschiedenis van branden op archeologische sites als uit de ervaring die de afgelopen vijf jaar is opgedaan in het kader van het memorandum van samenwerking tussen het ministerie van Klimaatcrisis en Civiele Bescherming en het ministerie van Cultuur. Uit de toepassing van het memorandum op meer dan 60 archeologische sites is meer specifiek gebleken dat de aanwezigheid van preventieve protocollen en gespecialiseerde evacuatieplannen, evenals de uitvoering van systematische maatregelen (regelmatige inspecties, brandstofbeheer, opleiding van het personeel en samenwerking tussen de brandweer en het Ministerie van Cultuur) de operationele doeltreffendheid aanzienlijk vergroten en de risico’s beperken.
Bovendien wordt de noodzaak om preventieve brandbeveiligingsmaatregelen en -uitrusting voor culturele erfgoedsites te plannen en in te voeren, ondersteund door internationale literatuur en richtlijnen van internationale culturele organisaties zoals UNESCO (https://www.unesco.org/en/articles/fire-risk-management-guide-protecting-cultural-and-natural-heritage-fire).
Bijgevolg draagt de verordening consistent en systematisch bij aan de beoogde doelstelling van algemeen belang door middel van een alomvattende aanpak van brandrisicobeheer, die alle fasen omvat: preventie, operationele paraatheid, respons en beperking van de gevolgen, om mensenlevens, cultureel erfgoed en het natuurlijke milieu te beschermen. Verder is het een gespecialiseerd bestuursrechtelijk instrument, dat specifiek is ontworpen om een bepaald risico (brand) aan te pakken op archeologische sites, met als direct en meetbaar resultaat zijn bijdrage aan de bescherming van het algemeen belang.
9 ter. Hoewel er algemene wetgeving en regelgeving op het gebied van brandpreventie bestaat, ontbreekt het tot nu toe aan specifieke, uniforme brandbeveiligingsvoorschriften die uitsluitend zijn afgestemd op de specifieke kenmerken van archeologische sites (operationele en functionele kenmerken, in het bijzonder wat betreft toegankelijkheid, topografie, de nabijheid van bos- of struikgebieden, de haalbaarheid van technische ingrepen, de aanwezigheid of afwezigheid van infrastructuur, vluchtroutes en het beheer van grote bezoekersstromen) en waarin rekening wordt gehouden met de beperkingen en de culturele waarde ervan. De verordening vult een reële en aanzienlijke lacune in de regelgeving op, stelt de nodige maatregelen, procedures, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle belanghebbenden vast en waarborgt, met zo min mogelijk ingrijpen, de bescherming van archeologische sites tegen brandgevaar en het behoud ten behoeve van huidige en toekomstige generaties.
De maatregel voorziet meer specifiek alleen in beperkingen voor zover dit nodig is om een adequaat niveau van brandbeveiliging op archeologische sites in de open lucht te waarborgen, en zal naar verwachting niet leiden tot aanzienlijke beperkingen van de interne markt of van de grensoverschrijdende handel in goederen en diensten. De voorgestelde eisen hebben voornamelijk betrekking op organisatorische en preventieve brandbeveiligingsmaatregelen, die ongeacht de oorsprong van producten, apparatuur of dienstverleners van toepassing zijn en geen discriminatie of ongerechtvaardigde marktbelemmeringen met zich meebrengen.
Bij de beoordeling van de noodzaak van de verordening zijn minder ingrijpende alternatieven overwogen, zoals niet-bindende richtlijnen bepalen, vrijwillige brandbeveiligingsnormen invoeren of de betreffende kwesties per geval aanpakken door middel van bestuurlijke aanbevelingen. Deze alternatieven werden ontoereikend geacht, omdat ze niet zorgen voor een uniform en bindend beschermingsniveau en de consequente toepassing van preventieve en operationele paraatheidsmaatregelen niet garanderen op alle archeologische sites in de open lucht. Bovendien kan het ontbreken van dwingende regels leiden tot aanzienlijke verschillen in veiligheids- en paraatheidsniveaus tussen sites met vergelijkbare risico's.
9 quater. De bescherming van het cultureel erfgoed van het land, als een grondwettelijk verankerd recht, heeft voorrang boven alle specifieke beperkingen of ingrepen die voortvloeien uit de toepassing van de verordening en die betrekking hebben op het gebruik van, de toegang tot en de organisatie van werkzaamheden en activiteiten binnen archeologische sites. De maatregelen waarin de verordening voorziet, hebben over het algemeen een preventief karakter (zoals brandhaarden, vegetatiebeheer, ontsnappingswegen, bewegwijzering, verlichting, openbare adressystemen, permanente of semipermanente brandbestrijdingsnetwerken enz.) en brengen geen onevenredige of buitensporige (technische, financiële, administratieve) lasten met zich mee in verhouding tot de voordelen die kunnen worden bereikt.
Meer bepaald worden maatregelen en acties ingevoerd — waarvan de meeste van lage intensiteit zijn — die noodzakelijk en passend zijn om de doelstelling te bereiken en die volledig in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, zoals uiteengezet in artikel 25 van de grondwet, met volledige inachtneming van de grondwettelijke en wettelijke verplichting om cultureel erfgoed te beschermen, overeenkomstig artikel 24, leden 1 en 6, van de grondwet, gelezen in samenhang met Wet 4858/2021 “Bekrachtiging van het wetboek voor de bescherming van antiquiteiten en cultureel erfgoed in het algemeen”.
De gekozen maatregel vormt de minst ingrijpende maatregel om de beoogde doelstelling te verwezenlijken, aangezien deze zich beperkt tot het vaststellen van bindende minimumvereisten voor brandbeveiliging en rampenparaatheid, die rechtstreeks te maken hebben met de beoogde doelstelling om mensenlevens, cultureel erfgoed en het natuurlijke milieu te beschermen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
Het niet bereiken van de beoogde doelstelling van algemeen belang – namelijk de doeltreffende bescherming van archeologische sites en monumenten tegen brandgevaar – zou onvergelijkbaar schadelijker zijn dan de potentiële last die de beperkingen van de verordening met zich mee zouden kunnen brengen. Een brand die zich over een archeologische site verspreidt, kan leiden tot het definitieve en onomkeerbare verlies van monumenten met een unieke historische, wetenschappelijke en symbolische waarde, die na vernietiging niet meer kunnen worden hersteld of vervangen.
10. Verwijzingen naar de basisteksten: Er zijn geen basisteksten aanwezig
11. Ja
12. Zie het bijgevoegde bestand in de ondersteunende documenten.
13. Nee
14. Nee
15. Nee
16.
TBT-aspect: Nee
SPS-aspect: Nee
**********
Europese Commissie
Contactpunt Richtlijn (EU) 2015/1535
email: grow-dir2015-1535-central@ec.europa.eu